Frequently Asked Questions - Veel gestelde vragen rond het kmo-programma

In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd.  In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.

 In de praktijk kwamen de vragen vooral van:

  • zelfstandigen die een “bedrijf” hebben zonder rechtspersoonlijkheid
  • vzw's
  • bijkantoren van buitenlandse vennootschappen
  • intercommunales
  • overheidsbedrijven
  • onderzoeksinstellingen
  • bedrijven met een (quasi-)monopolie of met een “machtspositie” op de valorisatiemarkt

De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:

a)    De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen.  In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):

-    vennootschap onder firma (V.O.F.)
-    gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
-    besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)

-    naamloze vennootschap (N.V.)
-    commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
-    economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)

Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk” 

-   landbouwvennootschap (L.V.)
-   Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
-   bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
-   Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
-   bijkantoren van buitenlandse VZW
-   stichting
-   internationale VZW
-   de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)

b)    Rechtspersonen “in oprichting”:

De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend.  Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)

c)    UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen

 Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:

-   Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
-  
Collectieve onderzoekcentra
-  
Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
-  
Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
 

d)    BIJKOMENDE VOORWAARDEN:

Niet beschikken over een wettelijk monopolie

Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn

Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.

Niet beschikken over een machtspositie

Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.  Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat  en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.


Link naar de (AANBEVELING VAN DE COMMISSIE van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen)

Link naar een aantal voorbeelden

a) Basiscriteria

Eenk mo is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.

Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.

Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.

b) Zelfstandigheid

In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”).  Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.

Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).

c) Wat zijn partnerondernemingen?

Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.

Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.

Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.

d) Wat zijn verbonden ondernemingen?

Een onderneming is met een andere onderneming verbonden wanneer:

a. zij over deze andere onderneming een controlebevoegdheid uitoefent

b. deze andere onderneming een controlebevoegdheid over haar uitoefent

c. zij met andere ondernemingen een consortium vormt

d. andere ondernemingen, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen bedoeld in a), b) en c).

In afwijking van de Europese Aanbeveling worden universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk niet als verbonden onderneming beschouwd t.o.v. de door hen opgerichte spin-offs, zelfs al bevinden zij zich in een hierboven onder a) tot d) bedoelde situatie.

e) Wat is controle?

Een onderneming heeft controle over een andere onderneming wanneer zij de juridische of feitelijke bevoegdheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.

Er is altijd een beslissende invloed:

1° wanneer een onderneming de meerderheid van de stemrechten heeft

2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan

3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken onderneming of krachtens met die onderneming gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt

4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken onderneming, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die onderneming

5° in geval van gezamenlijke controle, d.w.z. controle uitgeoefend in overleg met anderen.

f) Wat is een consortium?

Er is een consortium wanneer verschillende ondernemingen, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde onderneming, onder centrale leiding staan.

Een onderneming staat onder centrale leiding:

1° wanneer de centrale leiding van deze ondernemingen voortvloeit uit tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen, of

2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen.

3° wanneer - behoudens tegenbewijs - de meerderheid van haar aandelen worden gehouden door dezelfde personen, zelfs als dit natuurlijke personen zijn.


Wanneer er onduidelijkheid is omtrent het al dan niet kmo? zijn van uw bedrijf bij de indiening van een steunaanvraag en indien het pas tijdens de verdere evaluatieprocedure zou blijken dat uw bedrijf toch niet aan de kmo definitie voldoet, zal het projectvoorstel toch verder behandeld worden volgens de evaluatieprocedure gangbaar binnen het kmo-programma?. Echter, het steunpercentage dat zal toegepast worden bij een eventuele positieve beslissing over uw projectvoorstel wordt met 10% verlaagd: dit betekent 40% steun bij een kmo-haalbaarheidsstudie en 25% steun bij een kmo-innovatieproject. Ook van de achtergestelde lening bij PMV-innovatiemezzanine als bijkomende steunvorm bent u dan uitgesloten. Het moet tevens duidelijk zijn dat uw bedrijf zich achteraf niet nogmaals met een projectvoorstel kan aandienen bij het kmo-programma. Een bedrijf met meer dan 250 werknemers zal nooit binnen het kmo-programma behandeld worden.

Bezit u nog onvoldoende duidelijkheid omtrent het af te leggen traject om de innovatie te realiseren? Moet u nog fundamentele keuzes maken inzake in te zetten technologieën? Zijn er nog cruciale vragen te beantwoorden vooraleer u een onderbouwde beslissing kan nemen inzake het al dan niet opstarten van de ontwikkeling van het nieuwe (vernieuwende) product, proces of dienst? In dat geval voert u waarschijnlijk best eerst een kmo?-haalbaarheidsstudie uit, die u als resultaat de nodige antwoorden kan opleveren.

Hebt u daarentegen reeds een duidelijk beeld van de wijze waarop u de innovatie wenst te realiseren en/of wenst u reëel te starten met de ontwikkeling van het beoogde product, proces of dienst, dan opteert u best voor een kmo-innovatieproject. In dergelijk project wordt typisch het traject van eerste ontwerp tot een eerste beproefd concept of prototype gesteund.

Wanneer beslist wordt om een projectvoorstel te steunen, wordt het bedrag van de steun ‘vastgelegd’ (=gereserveerd) op de IWT-Vlaanderen begroting. Na deze beslissing is een verhoging niet meer mogelijk. Wanneer u dus na afloop van het project meer kosten blijkt gemaakt te hebben dan initieel vooropgesteld, zal de steun van het IWT hoe dan ook beperkt blijven tot dit ‘vastgelegde’ bedrag.

Daarentegen heeft het ook geen zin om uw budget groter in te schatten dan nodig is. De begroting die u voorstelt wordt op zijn geloofwaardigheid getoetst tijdens het evaluatieproces? en na afloop van de studie of project moeten effectief gemaakte kosten bewezen worden. Wanneer blijkt dat de bewezen kosten lager zijn dan de oorspronkelijk geraamde kosten, wordt de steun evenredig verminderd. U heeft er dus alle belang bij om de begroting bij indiening van de steunaanvraag zo correct mogelijk in te schatten.

Wanneer na de eindcontrole van een studie of project zou blijken dat de gemaakte kosten sterk verschillen met de oorspronkelijk aangevraagde begroting kan dit een bijkomend argument zijn voor het IWT-Vlaanderen om begrotingen van latere steunaanvragen van het bedrijf met bijzondere aandacht te evalueren.

Het IWT-Vlaanderen heeft enkel Nederlandstalige handleidingen beschikbaar voor het kmo-programma?. Zo nodig geacht is het wel toegestaan dat u uw steunaanvraag in het Engels opstelt.

Het IWT behandelt uw steunaanvraag vertrouwelijk. Het IWT-personeelsstatuut en de individuele arbeidsovereenkomsten van het IWT-personeel leggen de IWT-personeelsleden strikte geheimhouding op. Buiten de naam van uw onderneming, de projecttitel en het toegekende steunbedrag, die in het jaarlijks IWT-activiteitenverslag worden opgenomen, zal behoudens de leden van het college van deskundigen geen projectinformatie aan derden worden meegedeeld. Deze deskundigen ondertekenen voor elk individueel projectvoorstel dat zij behandelen een aparte confidentialiteitsovereenkomst.

De namen van de deskundigen voor uw project, worden u niet kenbaar gemaakt. Bij kmo?-innovatieprojecten wordt u wel in de mogelijkheid gesteld om zelf ook deel te nemen aan de vergadering van het college van deskundigen en uw voorstel toe te lichten. Het spreekt voor zich dat op het ogenblik van deze vergadering de deskundigen aan u zullen voorgesteld worden, maar niet eerder.

U kan ook altijd vooraf aan het IWT melden welke personen u zeker niet bij de beoordeling van uw projectaanvraag betrokken wenst te zien.

Het IWT kan onder bepaalde voorwaarden de uitbetaling van de steun opschorten en kan zelfs steun terugvorderen indien zou blijken dat de werkzaamheden binnen het project niet meer overeenstemmen met het afgesproken innovatiedoel of indien bedrog wordt vastgesteld. Nadere details hieromtrent vindt u terug in de Algemene Bepalingen bij kmo?-haalbaarheidsstudie of in de Algemene IWT-voorwaarden voor kmo-innovatieprojecten.

Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend.  Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden.  Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.

De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je in een toelichtingsdocument selectiemechanisme bij de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).

Grensoverschrijdende samenwerking wordt sterk gestimuleerd. Ze kan plaatsvinden onder verschillende vormen :

  • Een bedrijf kan beroep doen op een onderzoeksinstelling of een bedrijf als onderaannemer? in het buitenland. Hierbij gelden dezelfde regels als voor de Vlaamse onderzoekspartners of onderaannemers. Let wel op dat een bedrijf dat een eigen valorisatierationale heeft (die bijvoorbeeld blijkt uit het opbouwen van eigen intellectuele eigendom of exploitatie van de resultaten) of zijn eigen risico draagt, niet als een onderaannemer zal beschouwd worden. De facturen die de bedrijfspartner krijgt voor de uitvoering van het project vormen binnen de regels van het kostenmodel een subsidieerbare kost.

    Wanneer het bedrijf buiten Vlaanderen met een Vlaamse bedrijfspartner verbonden is, moet dit bedrijf zijn kosten inbrengen op dezelfde manier als een Vlaams bedrijf en zijn er bijvoorbeeld geen winsttoeslagen e.d. aanvaardbaar.

    In elk geval is het zo dat maximaal 50% van de steun betrekking mag hebben op activiteiten buiten Vlaanderen.

  • Een bedrijf kan ook samenwerken met bedrijven buiten Vlaanderen in een gemeen­schappelijk, grensoverschrijdend project, elk voor eigen rekening. Dit kan in de eerste plaats gebeuren binnen formele regelingen zoals EUREKA, ERA-netten en andere internationale instrumenten. Indien daar niet de juiste mogelijkheden worden geboden, kan naar een ad hoc oplossing gezocht worden. Het staat een bedrijf dus vrij om een dergelijke samenwerking uit te voeren, maar de kosten van dergelijke buitenlandse partijen zullen natuurlijk niet voor subsidie in aanmerking komen. De niet-Vlaamse bedrijven moeten ofwel zelf voor hun eigen kosten instaan of steun krijgen van hun overheid. Bovendien moeten de exploitatierechten van de Vlaamse bedrijven gewaarborgd blijven.