Neen, kleinere (niche) sectoren zijn niet bij voorbaat uitgesloten. Er zal eerder gekeken worden of de omvang van het project in verhouding is met de grootte van de doelgroep, de resultaten die mogen verwacht worden, en de impact ervan voor de doelgroepbedrijven. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende absorptiecapaciteit is bij de doelgroepbedrijven, zodat een kennis- of competentieverhoging bij die bedrijven zich op termijn vertaalt in economisch toegevoegde waarde? voor de betrokken sector.
LA-trajecten kunnen niet verlengd worden. Projecten tot 4 jaar kunnen wel een uitbreiding (van max. 2 jaar) van het project aanvragen, mits verruiming van de doelstellingen en op voorwaarde dat duidelijke resultaten voorgelegd kunnen worden. Aanvragen tot uitbreiding worden in competitie met nieuwe projectvoorstellen geëvalueerd.
Een LA-traject moet binnen de opgegeven projectduur aanleiding geven tot concrete innovaties/ toepassingen. Projecten tot 6 jaar moeten bij de tussentijdse evaluatie na 4 jaar (waarvoor externe deskundigen worden ingeschakeld) reeds de nodige resultaten kunnen voorleggen. Een traject dat in hoofdzaak bestaat uit onderzoeksactiviteiten komt niet voor steun in aanmerking. Het verwerven van kennis speelt een belangrijke rol in een LA-traject, maar de doelstelling moet zijn zichtbare veranderingen teweeg te brengen bij de doelgroepbedrijven door het concreet toepassen van die kennis.
De projectduur is afhankelijk van het ‘traject’ dat nog moet afgelegd worden om tot concrete innovaties en zichtbare veranderingen bij de doelgroepbedrijven te komen. Een volledige projectduur bedraagt typisch 4 jaar, maar LA-trajecten kunnen een looptijd hebben van minimaal 2 tot maximaal 6 jaar, met een tussentijdse evaluatie om de 2 jaar.
De bezetting van een LA-traject mag in totaal maximum 8 VTE bedragen (m.a.w. voor een project van 6 jaar zijn dit 576 mm). Het aantal VTE mag echter geen streefdoel op zich zijn. Projectomvang en –budget dienen in verhouding te staan met de na te streven doelstellingen, de grootte van de te bereiken doelgroep en de te verwachten (economische) meerwaarde.
Als mede-aanvrager/uitvoerder is het bedrijf automatisch lid van de gebruikersgroep, maar zonder rechtsgeldige stem in de aansturing van het project.
Elk doelgroepbedrijf uit de agrovoedingsketen heeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren in de cofinanciering: individueel of via beroeps- en sectororganisaties.
Hetzelfde bedrijf kan daarnaast, voor een beperkt deel van het traject, begunstigde? worden van steun volgens de modaliteiten van de O&O-subsidieregeling (van 25 tot 55% steun, al naargelang de grootte van het bedrijf en de vorm van samenwerking). Op voorwaarde dat de activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van het ‘bedrijfsproject’ duidelijk en correct afgelijnd worden zowel naar werkplan als budget, zodat geen vermenging kan optreden.
Indien een bedrijf dat lid is van de gebruikersgroep specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het traject, dient het bedrijf hiervoor betaald te worden en dienen deze kosten ingebracht onder de werkingskosten van het project (cfr. onderaanneming). Echter wanneer dit bedrijf bereid zou zijn om de geleverde goederen of diensten te beschouwen als een bijdrage in de cofinanciering, volstaat het als deze kosten door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.
Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan verwacht dat gezien wordt als een maat voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Een belangrijk upfront financieel engagement -van verschillende schakels in de agrovoedingsketen- verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.
Het betrekken van niet-Vlaamse partners is mogelijk –via onderaanneming– en voor zover relevant voor de uitvoering van het project. Bij de projectaanvraag dient een motivatie en kostenraming (vanaf € 5.000) gevoegd te worden. De kosten dienen ingebracht onder de werkingskosten van het project. De organisatie die de onderaanneming uitbesteedt (d.i. de kennisinstelling) moet de voor haar toepasselijke wetgeving volgen. De geselecteerde onderaannemer? wordt een contractant van de kennisinstelling en is geen rechtstreekse begunstigde? en dus ook geen mede-ondertekenaar van de IWT-overeenkomst. Zie ook het toelichtingsdocument ‘Publiekrechtelijke verplichtingen’ op de IWT website.
Projecten die in hoofdzaak gericht zijn op innovatie bij een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie horen thuis in de VIS?-trajecten. Bij LA-trajecten daarentegen gaat de vraag uit van de primaire sector. De doelstelling van het programma is met name het duurzamer en competitiever maken van de Vlaamse land- en tuinbouw. Van een LA-traject wordt dan ook verwacht dat bedrijven/organisaties uit de primaire sector actief betrokken worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. Verder moet er tijdens de uitvoering van het traject een duidelijke kennisoverdracht zijn naar de land- en tuinbouwbedrijven die resulteert in praktijktoepassingen.
Het is inderdaad zo dat enkel kennisinstellingen (Vlaamse instellingen van hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en praktijkcentra) een projectaanvraag kunnen indienen voor een LA-traject. Het is mogelijk voor kennisinstellingen om samen met een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie LA-trajecten op te zetten. VIS?-organisaties kunnen in dit geval optreden als mede-aanvrager, en in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de VIS-trajecten regeling (80% steun). Het budgettair aandeel moet evenwel beperkt blijven t.o.v. de totale projectbegroting van het LA-traject.
Indien een LA-traject kennis of technologie oplevert die nuttig kan zijn voor bedrijven in de toeleverings- of verwerkende industrie is er sprake van een ‘spillover’ effect. In dat geval kunnen die bedrijven de nuttige kennis/technologie in een apart innovatietraject verder ontwikkelen en vermarkten.
