Frequently Asked Questions - Veel gestelde vragen rond VIS-trajecten

Omwille van de vernieuwde aanpak van VIS?-trajecten kunnen geen afzonderlijke TIS- en TD-projecten meer ingediend worden. Voor collectief onderzoek gericht op de primaire sector is er een apart programma LandbouwOnderzoek (oproep 2010-2011 staat open). Naar de toekomst toe zal nagegaan worden in welke mate de VIS-trajecten en het landbouwonderzoek beter op elkaar afgestemd kunnen worden. Het uitwerken van een specifieke regeling voor de primaire sector zal gebeuren in nauw overleg met de belangrijkste stakeholders via het Platform voor landbouwonderzoek.

Er wordt jaarlijks één oproep gepland, die vermoedelijk wordt opengesteld in juli.

In principe wordt de subsidie in voorschotten aan de aanvragende VIS’sen (begunstigden of contractanten) uitgekeerd. Indien samengewerkt wordt tussen verschillende organisaties (VIS’sen onderling of VIS’sen met onderzoeksinstellingen), worden de financieringsafspraken geregeld in samenwerkingsovereenkomsten. In elk geval worden de kosten van onderzoeksinstellingen integraal door de begunstigden betaald.

De prestatie-indicatoren en de opvolgingsmethodiek voor VIS?-trajecten wordt nog uitgewerkt. Er wordt aan de indieners gevraagd om zelf een aantal relevante indicatoren op te geven. De opvolgingsmethodiek zal ter beschikking zijn tegen de start van de nieuwe projecten.

Er staat geen limiet op het aantal ingediende VIS?-trajecten per jaar. Er wordt wel verwacht dat indieners zelf prioriteiten stellen en zodanig onnodige administratieve last beperken.

De VIS?/Haalbaarheidsstudies worden hervormd (najaar 2010) en zullen aangevraagd kunnen worden als voortraject voor het opzetten van een nieuw consortium ter voorbereiding van VIS-trajecten.

De reële doelgroep (groep van bedrijven waar de projectresultaten effectief geïmplementeerd zullen worden) dient gekwantificeerd en getypeerd te worden in de projectaanvraag. Zie hiervoor ook de informatie in de aanvraagtemplate.

Coöperatief en collectief onderzoek hebben een totaal verschillende finaliteit. Er dient vooraf goed gekeken te worden wat de doelstellingen van een project zijn en in welk kader deze het best passen. VIS?-trajecten worden gesteund onder het VIS-besluit. Het doel is om innovatie te stimuleren via ondersteuning van activiteiten met een collectief karakter die het individueel bedrijfsbelang overstijgen en kunnen gevaloriseerd worden naar een zo breed mogelijke groep bedrijven. Projecten die gericht zijn naar een beperkt aantal bedrijven worden coöperatief genoemd en worden in andere kanalen ingediend (bv. O&O bedrijfsprojecten of kmo-programma?). In coöperatieve projecten ligt de eigendom van de projectresultaten bij de indienende bedrijven, daar waar bij collectieve projecten een brede verspreidingsplicht geldt voor het VIS. Daarnaast zijn de steunpercentages en de regelgeving voor subsidies anders : collectieve projecten vallen onder de de-minimis? regelgeving, coöperatieve projecten onder de kaderregeling. Meer informatie is terug te vinden in het toelichtingsdocument - gebruik van projectresultaten.

De Europese regelgeving bepaalt dat de ontvangen (indirecte) steun voor een individueel bedrijf onder een bepaald plafond dient te blijven (zie toelichtingsdocument de-minimis?). De ontvangen steun/bedrijf wordt berekend als de totale subsidie voor het project, gedeeld door het aantal bedrijven in de reële doelgroep (groep van bedrijven waar de projectresultaten effectief geïmplementeerd zullen worden). De bedrijven in de gebruikersgroep behoren tot de reële doelgroep.

Dit is een aandachtspunt bij de evaluatie van het project door IWT. De Europese Commissie kan te allen tijde - tot 10 jaar na afloop van het VIS‐programma ‐ een controle doen op de naleving van de de‐minimisverordening. Lidstaten hebben 20 dagen om op dergelijke vragen te antwoorden. Meer informatie over de de-minimis regel.

Een minimum bezetting per partner van 1 VTE is niet verplicht. Indien het relevant is, kan de bezetting voor één of meerdere uitvoerders kleiner zijn dan 1 VTE. Er dient vooral naar gestreefd te worden dat de begrotingen niet te versnipperd zijn (bijvoorbeeld een groot aantal partners met een minimale bezetting/partner) en dat het geheel functioneert.

Een ad-hoc VIS? is een consortium van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven. Bedrijven kunnen zelf niet als uitvoerder optreden, ze kunnen wel als onderaannemer? bij een VIS-traject betrokken worden. Kenniscentra die deel uitmaken van een ad-hoc VIS, kunnen wel als uitvoerder optreden.

De mogelijke uitvoerders voor VIS?-trajecten zijn opgelijst in de handleiding. De vroegere vereiste accreditatie voor kenniscentra voor het uitvoeren van TD-projecten vervalt. Er wordt tijdens de evaluatie van het traject nagegaan of binnen het uitvoerend consortium de geschikte expertise/competentie, nodig om de voorgestelde activiteiten uit te voeren, aanwezig is. Noteer dat in het kader van steun voor advies via de kmo?-portefeuille (Agentschap? Ondernemen), dienstverleners wel erkend moeten zijn.

Hoewel er bij ‘implementatiegerichte activiteiten’ inherent een beperkte bedrijfseigen component aanwezig zal zijn, is het niet de bedoeling om uitgebreid individueel maatwerk te leveren in een (collectief gesteund) VIS?-traject. Voor individuele adviezen/projecten (maatwerk) kunnen bedrijven terecht in de kmo?-portefeuille, het kmo-programma? of het programma O&O-bedrijfsprojecten.

De lijst met toegelaten en niet toegelaten activiteiten in de handleiding geeft een duidelijk kader waarbinnen gewerkt kan worden. Het aandeel en de omvang van alle activiteiten moeten in relatie staan met het VIS?-traject en de resultaten die men beoogt. Dit vormt onderdeel van de evaluatie. De gemaakte keuzes aangaande activiteiten en inzet van middelen in het traject dienen in de aanvraag gemotiveerd te worden.

De maximale duurtijd van een VIS?-traject is 6 jaar.

Aangezien VIS?-trajecten gekenmerkt worden door hun collectief karakter, zal er vooral generische kennis opgebouwd worden. Het VIS beschikt over de projectresultaten en heeft de verplichting om deze op grote schaal te verspreiden. Als er toch IE-rechten opgebouwd zouden worden, zal het VIS aan gelijke en toegankelijke voorwaarden licenties verlenen. Voor meer informatie, zie ook de faq voor het VIS-programma.

Het niet-gesubsidieerde gedeelte van de projectbegroting (20% cofinanciering) dient gefinancierd te worden met bijdragen van de doelgroepbedrijven. De doelgroep is impliciet ruimer dan de gebruikersgroep, die een representatieve vertegenwoordiging is van de doelgroep. De co-financiering kan bereikt worden door een combinatie van ‘upfront’ financiering vanuit de doelgroep van het traject (hoe groter de groep, hoe kleiner de bijdrage per partner) en een aantal geleverde prestaties. Het aandeel en de omvang van deze prestaties in het voorstel moeten in relatie staan met het VIS?-traject en de resultaten die men beoogt. De subsidies in het kader van VIS-trajecten zijn bedoeld voor bedrijven (indirecte steun), waardoor het niet de bedoeling is dat de indieners marge creëren op activiteiten ten dienste van de bedrijven. Het is ook mogelijk dat een deel van de projectkost gedragen wordt vanuit de eigen middelen van de indieners (VIS’sen).

Het bereiken van de 20% cofinanciering wordt toegepast op de ganse periode van het traject, maar voor trajecten met een langere duurtijd dan twee jaar, zal bij de tussentijdse evaluaties (na twee en vier jaar) de reeds bereikte cofinanciering wel een aandachtspunt vormen.

Bij de indiening van de projectaanvraag, dient een degelijk cofinancieringsplan voorgelegd te worden. Hierin wordt beschreven op welke manier de cofinanciering zal gerealiseerd worden voor het ganse traject. Wel is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich reeds vanaf de aanvang van het traject (financieel) zullen engageren en andere (type) bedrijven op een later moment instappen. Dit kan afhangen van de opzet en de planning van het traject.
De 20% co-financiering wordt gezien als een maat van commitment van de doelgroepbedrijven en het gecreëerde draagvlak bij deze doelgroep. Dit is een evaluatiecriterium.

Het toevoegen van ondertekende intentieverklaringen van de leden van de gebruikersgroep is niet verplicht. De aanpak en de beoogde samenstelling van de gebruikersgroep dient wel duidelijk beschreven te worden in de projectaanvraag. Het toevoegen van gemotiveerde intentieverklaringen van gebruikersgroepleden kan wel een meerwaarde betekenen voor de aanvraag (indicatie van het ‘commitment’ van de doelgroepbedrijven).

Collectieve projecten zijn toegankelijk voor alle bedrijven. Dit geldt ook voor de gebruikersgroepen, die open staan voor alle geïnteresseerde bedrijven en waarvan individuele bedrijven niet uitgesloten kunnen worden. Wel moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden aan welke toetredingsvoorwaarden nieuwe leden kunnen instappen. Deze mogen niet discriminerend zijn. Indien men een algemene bijdrage (of lidgeld) van het VIS? (deels) laat gelden als bijdrage voor de gebruikersgroep, dan mag de eventuele bijdrage van niet-leden niet hoger zijn dan dit lidgeld.