Auteurs : Frank Bongers - Bram Kaashoek - Guido Ongena - Jurgen Verweijen
Publicatiedatum : december 2008
Door een steeds toenemende complexiteit van de technologische ontwikkelingen en een gebrek aan middelen en competenties, is het voor een grote groep van ondernemingen in Vlaanderen – in het bijzonder KMO’s in de traditionele industrieën - moeilijk om in hun eentje te innoveren. Deze groep van ondernemingen doet evenmin regelmatig beroep op externe partijen om hun kennisvragen te beantwoorden.
Bij de oprichting van het Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverband in 2002, werd naast de subprogramma’s voor thematische innovatiestimulering (TIS) en technische dienstverlening (TD) eveneens het programma voor Collectief Onderzoek (CO) verruimd. Met dit laatste subprogramma heeft de Vlaamse overheid als doel om via het inschakelen van kennisinstellingen, een antwoord te bieden op gelijkaardige kennisvragen en innovatienoden op korte en middellange termijn van een ruime groep bedrijven. De onderzoeksactiviteiten kunnen zich hierbij zowel richten op strategisch basisonderzoek als op vertaalonderzoek waarbij kennisdiffusie en valorisatie centraal staan. De bedoeling bestaat erin dat bedrijven, in het bijzonder KMO’s, door deelname aan dit programma beter in staat zullen zijn om resultaten van onderzoek om te zetten in economische kansen en op langere termijn hun concurrentiepositie kunnen versterken.
Net zoals voor de subprogramma TIS en TD (IWT-studie 59) werd het, meer dan vijf jaar na de start van de programma’s, wenselijk geacht om de werking van het VIS-programma Collectief Onderzoek en de resultaten van de gesteunde projecten aan een eerste analyse te onderwerpen. De uitvoering van deze opdracht werd toegewezen aan het studiebureau Dialogic. Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen is een aanpak gevolgd met zowel kwalitatieve als kwantitatieve elementen.
Uit de resultaten van deze effectmeting, blijkt duidelijk dat de projecten collectief onderzoek worden gewaardeerd door de bedrijven omdat ze voldoende ambitieus zijn en leiden tot kennisopbouw bij de bedrijven. Door de bedrijven wordt een groot belang gehecht aan de toepasbaarheid van kennis, daar waar kennisinstellingen meer de nadruk leggen op kennisopbouw en –verspreiding. Aangezien in vele gevallen bedrijfsspecifiek vervolgonderzoek vereist is, alvorens de projectresultaten toepasbaar zijn in de ondernemingen, is de toepassing van de resultaten bij vele bedrijven nog in voorbereiding of in ontwikkeling. In de bedrijven waar de projectresultaten wel al worden toegepast blijkt dat de meeste effecten te vinden zijn bij minder kwantificeerbare grootheden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om inzichten bij het nemen van strategische beslissingen. Naast de valorisatie van de projectresultaten bij de leden van de gebruikerscommissie benadrukken de kenniscentra in sterke mate de verspreiding van de projectresultaten naar een bredere achterban. In dit verband wordt er door de grote collectieve onderzoekscentra verwezen naar de specifieke plek van collectief onderzoek binnen de totale onderzoeksketen. Kenniscentra zijn er bovendien meer en meer van overtuigd dat projectvoorstellen beter worden als bedrijven eerder betrokken worden. Tot slot geeft 90% van de bedrijven aan dat ze, met hun huidige kennis en ervaring over het projectverloop en –resultaten, opnieuw zouden deelnemen aan de gebruikercommissie van een VIS-CO-project.